------


Home - Dienst - Leiding - Aktiviteiten - Akties _Kids/jeugd - Agenda - Foto's - Baptisten- Geschiedenis- Contact

 

GESCHIEDENIS VAN DE BAPTISTENGEMEENTE TE HAARLEM

INHOUD

1 Inleiding
2 Baptisme
3 Ontstaan van het Baptisme in Haarlem
4 Afsplitsing - Instituering in 1880
5 Voortgang
6 Begijnhofkapel
7 Vervolg
8 Nawoord

1 INLEIDING

Op 20 september 1993 is het precies veertig jaar geleden dat de Baptisten
Gemeente te Haarlem haar kerkgebouw de Begijnhofkapel in gebruik nam.
Voor de raad was dat aanleiding -veertig is immers een belangrijk getal in
de bijbel- om het jubileum feestelijk te gedenken. In dit kader is ook besloten
tot het samenstellen van een jubileumgeschriftje over de Baptisten Gemeen-
te te Haarlem. Het onderhavige boekwerkje geeft een overzicht van de ge-
schiedenis van de Baptisten Gemeente te Haarlem. Het pretendeert uiteraard
niet volledig te zijn. Wellicht komt er nog eens een uitgebreidere uitgave. Na
een hoofdstuk over baptisten en hun geloof wordt teruggegaan naar het
midden van de vorige eeuw. Van daaruit volgen we -soms zeer beknopt- de
bewogen geschiedenis die vaak over bergen en door dalen gingen slechts
zelden over vlak terrein. Aangekomen in 1993 kunnen we vaststellen dat de
Heer van de gemeente trouw blijft aan het werk dat Hij eens begonnen is. In
vertrouwen op Hem blijven we niet stilstaan om achterom te kijken, maar
gaan we verder op de weg met de Heer Jezus Christus.

Hugo Heymeijer
september 1993

2 BAPTISME

Het baptisme is ontstaan toen in het begin van de 17e eeuw een groepje
Engelse vluchtelingen onder leiding van John Smyth kennis maakten met
de doopsgezinden in Amsterdam. Smyth en de zijnen sloten zich evenwel
wegens meningsverschillen niet bij hen aan. Veel van de vluchtelingen
keerden terug naar Engeland. Anderen staken de oceaan over naar
Amerika (met het schip de Mayflower). Sinds 1609 kan er gesproken worden
van baptistengemeenten. Het baptisme bleef een Britse en Amerikaanse
kerkelijke beweging totdat J.G. Oncken er in Engeland mee in aanraking
kwam en in 1835 de eerste baptistengemeente van het Europese vasteland
stichtte.
In 1845 kwam het baptisme in Nederland. Op 15 mei van dat jaar liet
Johannes Elias Feisser, voormalig nederlands hervormd predikant te
Gasselternijveen zich met een zestal geestverwanten dopen door de Duitse
baptist J. Köbner, die samen met Oncken in bijna geheel Europa de
baptistische opvattingen verbreidde. In de vijftiger jaren ontstonden in
Friesland enkele baptistengemeenten als gevolg van het werk van de Duitse
prediker Johannes De Neui.

Baptisten geloven evenals andere christenen dat Jezus Christus, de Zoon
van God, door zijn sterven aan het kruis en zijn opstanding vergeving van
zonden en verzoening met God heeft bewerkt.
Door geloof in Hem en uit genade wordt men behouden.
Baptisten geloven dat de Heer Jezus wil dat allen die dit geloof bezitten zich
plaatselijk en zichtbaar aan elkaar verbinden in een gemeenschap van
gelovigen, de gemeente.
Men wordt lid van deze gemeente door de doop op basis van een persoonlijk
geloof. De doop beeldt het einde van de oude mens, zijn begrafenis, en de
geboorte van de nieuwe mens uit.
Baptisten dopen door onderdompeling in water, omdat dit in nieuwtesta-
mentische tijden zo gebeurde en omdat zo de betekenis van de doop het
beste zichtbaar wordt gemaakt.

De baptistengemeente wordt democratisch bestuurd: de laatste autoriteit
berust bij de gemeente in vergadering bijeen. De dagelijkse gang van zaken
wordt behartigd door een raad.In Nederland zijn ruim tachtig gemeenten
aangesloten bij de Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland, met
tezamen ruim 12.000 leden.

3 ONTSTAAN VAN HET BAPTISME IN HAARLEM

In Haarlem kreeg het baptisme voet aan de grond in het najaar van 1869.
Een belangrijke rol werd hierbij vervuld door Gerard Velthuijsen.
Velthuijsen, broodbakker op de Groenmarkt of Groote Krocht, was lid van
de Hervormde kerk. Samen met enige vrienden had hij een vereniging
opgericht "tot verbreiding der Waarheid". Met elkaar bestudeerden ze
de Bijbel en ontvingen sprekers waaronder I. Da Costa en J. de Liefde.
Zelf ging Velthuijsen ook in deze vergaderingen voor en hij wist velen te
boeien. Zijn mening echter over de vorming en het wezen van een gemeen
te in overeenstemming met de Heilige Schrift, over de kinderdoop
en de vraag wie er tot het Avondmaal mochten worden toegelaten druiste
lijnrecht in tegen die van het merendeel der medebestuurders. Nu verenig-
de Velthuijsen bij hem thuis enige gelijkgezinden uit Lutherse, Doops-
gezinde en Hervormde kerk. Allen waren voorstander van het baptistisch
beginsel inzake gemeentevorming, zonder evenwel het Baptisme te kennen.

P.J. de Neui, die in Friesland evangeliseerde en te Franeker in 1864 de
eerste friese baptistengemeente stichtte, schreef in 1869 een artikel in
de "Nieuwe Rotterdammer Courant" over de doop en de baptisten. Dit
stuk werd gelezen door Velthuijsen. Meteen ging deze naar Franeker en
ontmoette daar De Neui. Deze ontmoeting maakte op hem grote indruk.
Op 5 september 1869 werd Velthuijsen samen met zijn Haarlemse
broeders P.H. de Nobel en J.F. Bekker in Franeker gedoopt. Vier weken
later volgden hun echtgenotes.

Op 10 oktober 1869 was De Neui in Haarlem om de doop te bedienen aan
nog eens zes gelovigen. De gebeurde in de tuin van Velthuijsen, waar De
Nobel, die blikslager was, een zinken doopvont had gemaakt in een loodsje
achter de bakkerij. Er werd een "Gemeente van Gedoopte Christenen",
zoals men zich noemde, opgericht, met twaalf leden. Aan Velthuijsen werd
de geestelijke leiding opgedragen, de broeders De Nobel en Bekker hielden
toezicht op de stoffelijke zaken. Met de "Vereeniging tot Verbreiding der
Waarheid" moest Velthuijsen nu breken. Toen die avond De Neui bij de
vereniging predikte voor een gehoor van enige honderden mensen, was dat
voor het bestuur aanleiding om Velthuijsen zijn ontslag te laten nemen als
medebestuurslid. Aan anderen werd gezegd dat zij hem die zo "sectarisch"
optrad moesten mijden. Dit was een trieste ervaring voor Velthuijsen.

De gemeente breidde zich echter uit. De eerste jaren had zij haar bijeen-
komsten in de blikslagerij van De Nobel, die in de Lange Veerstraat
woonde. Op zondagochtend predikte Velthuijsen. 's Middags werd bij
Velthuijsen bijbellezing gehouden. Elke eerste zondag van de maand
vierde men het Heilig Avondmaal en elke donderdagavond hield men
een bidstond. Bij De Nobel had de gemeente een zondags-school onder
leiding van Velthuijsen. Op dinsdagavond gaf hij bijbelles aan jongeren
boven de zestien jaar. De gemeente kreeg al direct contacten met andere
gemeenten. In december 1869 sloot men zich aan bij de Duitse Bond, waar
ook Franeker bij aangesloten was. Enkele andere gemeenten, zoals Stads-
kanaal (onder leiding van H.Z. Kloekers) en Amsterdam voelden zich hierin
niet thuis. Zij wilden zich niet aan de Duitse geloofsbelijdenis binden. De
Nederlandse Unie van gemeenten van gedoopte christen werd twintig jaar
later opgericht: op 26 januari 1881.

De Haarlemse gemeente breidde zich uit en er moest naar andere ruimte
voor de bijeenkomsten worden gezocht. Men vond een klein boerderijtje
aan de stadsgrens, aan een grachtje en enkele stukjes weiland. Men
bracht het benodigde geld bijeen en was in staat het pand, gelegen aan
wat nu de Parklaan is, te kopen. Er moest een grondige verbouwing plaats-
vinden. Aan de voorzijde kwam een kosterswoning, de oude koeiestal werd
in een vergaderlokaal herschapen en er werd een doopbassin in aange-
bracht. Op 3 augustus 1872 had de inwijding van de kapel plaats. Velthuijsen
hield een inwijdingspreek over Jeremia 6:16. Hij kreeg het zo druk met de
gemeente, dat hij zijn bakkerij moest verkopen. Zo kon hij zich geheel aan
de dienst van het evangelie wijden. Hij werkte hard en evangeliseerde veel.
Zodoende konden er in 1874 zeventien personen worden gedoopt. Er waren
drie bloeiende zondagsscholen met een paar honderd kinderen!

Op 16 juni 1874 verkreeg de Gemeente van gedoopte Christenen te Haarlem
koninklijke erkenning. Velthuijsen wilde meer bekendheid geven aan de
baptistische beginselen. Hij begon in 1876 met de uitgave van een week-
blad "De Boodschapper, Weekblad in dienst van de Heere Jezus." Een
proefnummer van het blad verscheen op 27 oktober van dat jaar.

4 AFSPLITSING

In 1877 ontving Velthuijsen een zevental traktaten over het vieren van de
sabbat. Hij las ze en vond het een dwaze "nieuwigheid". Maar hij bleef na-
denken over de vraag: "Moeten wij de sabbat of de zondag vieren?". Al
gauw deelde hij de gemeente mee dat hij besloten had met zijn gezin de
sabbat te vieren. Hij bleef wel bereid de gemeente te blijven dienen. Na
een preek over Prediker 12:13 "Van alles wat gehoord is, is het einde van
de zaak: Vreest God en houdt Zijne geboden, want dit betaamt alle
menschen." werd ook De Nobel van de sabbat-viering overtuigd. Er volgden
nog enige leden en slechts weinigen bleven vasthouden aan de viering van
de zondag. In de gemeente groeide een spanning. Velthuijsen verklaarde
"geen brood meer te breken met hen, die buiten de sabbat gaan" en hen
ook niet te dopen. In de gemeentevergadering van 30 september 1877 werd
duidelijk dat samen verder gaan niet mogelijk was zonder kans op twist.
Er werd besloten te scheiden. Voorzitter Veldhuijsen stelde vervolgens de
vraag: "Wat wil de Gemeente der niet-sabbatisten? ... Verlangt zij de kapel,
wij zullen haar ruimen." Eenstemmig gaf die gemeente te kennen dat zij de
kapel "aan hare broeders en zusters sabbatisten overlaat." De Zevende-
dags Baptiste Gemeente heeft haar samenkomsten tot op de huidige dag nog
steeds in de kapel aan de Parklaan.

In 1907 schreef G. Velthuijsen dat de Zevendedags-baptiste gemeente van
aanvankelijk twintig leden was uitgegroeid tot 72 leden. In 1890 was een
tweede, kleinere gemeente gevestigd te Rotterdam. Tevens vermeldt hij
een sabbatvierende nederzetting te Gambong Waloh op Java onder de
leiding van D. Graafstal en zijn echtgenote Maria van der Steur.

Het zondagvierende deel constitueerde zich op 30 mei 1880 als "Vrije
Gemeente van Gedoopte Christenen". Zij stond onder leiding van A.H. van
der Steur. Er werd voor de gemeentelijke samenkomsten een zaaltje
gehuurd in de Voortingstraat. Op 7 februari 1883 vertrok men naar de
Gravinnesteeg. In deze tijd had E. van der Steur een zondagsschool met
130 kinderen. Het jaarboekje van de Unie voor 1884, dat ook de gegevens
vermeldt van de niet-geuniëerde gemeenten, noemt zelfs een aantal van
225 kinderen. De gemeente telde in september 1883 zeventien leden.

Omdat er weinig hoorders naar de prediking kwamen en de zaalhuur hoog
was, wilden sommigen de openbare prediking stopzetten en alleen voor bijbelbespreking samenkomen. De openbare bijeenkomsten bleven echter
en gingen gepaard met onderlinge bijbelbespreking. Deze gaf aanleiding tot
eindeloze dogmatische twisten. De verwarring werd in maart 1887 zo groot,
dat de voorganger zijn lidmaatschap opzegde. Twee jaar later had de ge-
meente nog maar vier leden en stelde zij zich onder de geestelijke zorg en
leiding van de zuster-gemeente te Amsterdam. Haar voorganger H. Reeders
zou voorlopig de avondmaalsvieringen leiden. Vaak waren niet meer dan
twee of drie leden aanwezig. De gemeente kwam nu samen ten huize van
E. van der Steur, Botermarkt 1. In 1891 onttrok de gemeente zich weer aan
de geestelijke leiding van Amsterdam. Zij groeide tot meer dan tien leden
en wees uit eigen kring weer ouderlingen aan (Van der Steur en Groet).
Voor de bediening van de doop werd een groot zinken bad gehuurd. Op
zondag 29 januari werd zr. G. van der Steur gedoopt. De gemeente aanvaard-
de haar "na zware strijd". Zij was namelijk lid van een geheelonthouders-
vereniging en dat was destijds in de gemeente verboden. Dit verbod werd in
november 1893 ingetrokken. De gemeente sloot zich in 1893 aan bij de Unie.

5 VOORTGANG

In november 1911 kreeg Amsterdam een nieuwe voorganger in de persoon
van B. Planting die tevens de zorg voor Haarlem tot taak had. Planting was
een rustige en weloverwogen werker, die zich deed kennen als gemeente-
opbouwer. Hij zou 34 jaar in de gemeente blijven. Naast Amsterdam en
Haarlem wijdde hij zijn zorg aan andere gemeenten, zoals Hoorn en Utrecht.
Bij zijn komst telde de Haarlemse gemeente elf leden, maar ondanks dat
zij klein was zegde zij Amsterdam financiële medewerking toe. Tegen het
einde van 1923 was de gemeente gegroeid tot honderd leden.

Ondertussen was op 6 mei 1922 de "Baptiste Gemeente te Haarlem"
ingeschreven als kerkgenootschap. Na vele omzwervingen van zaal tot
zaal (Klein Heiligland 8, Schachelstraat 6, Stoofsteeg 6, Lange Wijngaard-
straat 28) kon de gemeente op 23 december van dat jaar een eigen gebouw,
Salem, Bakenessergracht 65, in gebruik nemen.In 1925 bracht de gemeente
een beroep uit op J. van der Schors te Emmererfscheidenveen, die dit aan-
vaardde. Op de eerste pinksterdag 1925 nam Planting afscheid van Haarlem
en leidde hij zijn opvolger tot de arbeid in.De eerste jaren leek het goed te
gaan. Het jaar 1927 zou met 141 leden afgesloten zijn, ware het niet dat men
22 leden moest afschrijven, die een tweede gemeente vormden. Zij konden
zich niet verenigen met de leiding van Van der Schors.In 1931 voegde het
afgescheiden deel zich weer bij de gemeente.

De gemeente telde nu 166 leden, waarvan velen buiten Haarlem woonden,
met name in IJmuiden, Beverwijk en zelfs in Alkmaar. Er werd besloten ook
in IJmuiden samenkomsten te houden. Eind 1934 vermeldt de Uniestatistiek
nog maar 105 leden. In januari van dat jaar was Van der Schors heengegaan
met een jaar doorbetaald salaris. De gemeente moest hiertoe een hypotheek
van / 4000,- op haar gebouw nemen, terwijl bovendien 34 leden zich aan de
gemeente onttrokken.
L. de Haan van Utrecht gaf hulp als consulent, maar al in oktober 1934 deed
A.P. Barendrecht zijn intrede als voorganger. Onder zijn leiding hervond de
gemeente rust. Juli 1937 vertrok Barendrecht naar Muntendam. Een maand
later werd hij opgevolgd door L. de Haan, die de gemeente zou dienen tot
januari 1943.

Veel leden keerden weer terug, waardoor het ledental steeg tot 140 in
1938 en zelfs 159 in 1942.
In 1941 koos de gemeente met zr. Bottelier-Geldorp haar eerste diakones.
In datzelfde jaar werd besloten uit de nieuwe bundel van Haspers te gaan
zingen, de voorloper van Lofzangen & Gebeden.
In 1942 werd begonnen met het houden van huissamen-komsten in
Alkmaar. Dit leidde uiteindelijk tot instituering van een gemeente op
7 februari 1947. Na het vertrek van De Haan naar Noordbergum verbond
in april 1943 T. Jansma, komend van Nieuwe Pekela, zich met de gemeente.
Hij bleef tot september 1946.

Salem aan de Bakenessergracht werd intussen te klein, zodat men besloot
om de Broederkerk aan de Parklaan te huren voor de diensten op zondag.
Oktober 1947 deed J.W. Weenink, die ruim 36 jaar de gemeente te Stads-
kanaal gediend had, zijn intrede in Haarlem. Bij die gelegenheid geeft de
Amsterdamse gemeente als geschenk een nieuwe Amerikaanse doopbroek.

6 BEGIJNHOFKAPEL

De gemeente had in 1945 voor haar kerkdiensten het gewaardeerde gebouw
Salem aan de Bakenessergracht 65 moeten verlaten wegens ruimte gebrek:
er waren maar 117 zitplaatsen, terwijl de gemeente 134 leden telde. Voor het
houden van diensten werd tijdelijk onderdak gevonden in de Broederkerk aan
de Parklaan en later in het C.J.M.V.-gebouw aan de Lange Margarethastraat.
Gedoopt werd in het Sportfondsenbad aan het Frederikspark. In 1948 wordt
in het Unieorgaan De Christen mededeling gedaan van een doopdienst in het
Sportfondsenbad in april van dat jaar. Ds. Weenink doopte zeven jonge
mensen ten overstaan van 500 belangstellenden. In Salem werden nog wel
vergaderingen gehouden. De gemeente verlangde echter weer een eigen
kerkgebouw te bezitten. Om dit doel te bereiken werd mede op initiatief van
Weenink op 20 maart 1953 een bouwstichting opgericht met als taak een
vergadergelegenheid te zoeken in het centrum van Haarlem.

Toen deze werd gevonden in de Begijnhofkapel, die van de Nederlandse
Hervormde Gemeente kon worden aangekocht, werd Salem verkocht. Om
het gebouw aan te kunnen kopen en aan te passen aan de eigen wensen
werd van de leden grote offers gevraagd. Sommigen gaven een maandloon
of meer! Weenink reisde naar Amerika om daar bij de zustergemeenten
steun te vragen voor Haarlem. Zijn reis was niet tevergeefs. Met de aan-
koop van de kapel aan het Begijnhof 10 kreeg de gemeente behalve een
ruime kerkzaal tevens de beschikking over een tweetal vergaderruimten,
een drietal woningen aan Begijnesteeg 1 en Jansstraat 59 met in de kelder
een complete kegelbaan. De mannenvereniging zette zich onder leiding van
de bouwcommissie in om de kapel zo snel mogelijk in gebruik te kunnen
nemen. Onder het podium werd een doopvont gemaakt.De officiële inge-
bruikneming vond plaats op zondag 20 september 1953.

In 1957 werd vanuit de Begijnhofkapel de eerste baptistendienst per tele-
visie uitgezonden. De kapel beschikte over een goed orgel, dat in 1942
gebouwd was door de firma Spiering te Dordrecht. Het was bekend van orgel-
concerten en van IKOR-radiouitzendingen. Bij het bestuur kwamen van enige
broeders en een zuster verzoeken binnen om op het kerkorgel te mogen
studeren. Er werd besloten dat pas toestemming kon worden gegeven na
een proefspel en indien men les had van een bevoegd orgelleraar. Op 27
november 1953 werd aan Bert van der Weide na proefspel bij de heer
Lasschuit de verlangde toestemming verleend. Veertig jaar later is hij nog
steeds een van de organisten van de gemeente. Enige jaren later, in 1960,
werd het orgel verbouwd. Er werd van een pneumatisch naar een elektrisch
systeem overgeschakeld en er werden enkele registers aan de bestaande
toegevoegd. De speeltafel werd omgedraaid, zodat de organist de kerk kon
overzien.

Het onderhoud van de kapel werd gedaan onder toezicht van het bestuur
van de Bouwstichting, dat zelf ook vele uren werk heeft moeten verrichten.
Andere werkzaamheden konden worden uitbesteed aan gemeenteleden
en vrienden of aan vaklui, zoals de vernieuwing van het dak. In 1993 werd de
kapelzaal voorzien van nieuwe ramen. Inkomsten om het onderhoud werden
behalve door een huurbijdrage van de gemeente verkregen door verhuur
van zalen aan koren en andere huurders. Ook de jaarlijks gehouden rommel-
markt bracht veel geld op. Veel gemeenteleden en vrienden zetten zich daar-
voor in. Op 19 september 1993 viert de gemeente het feit dat zij de kapel
veertig jaar in gebruik heeft.

7 VERVOLG

J.W. Weenink diende de gemeente tot zijn emeritaat. In de jaren dat hij
Haarlem diende werd het een gebruik dat vrouwen een plaats kregen in
het bestuur van de gemeente. Als in januari 1953 een tweetal zusters als
bestuurslid aftreden, wordt door de voorzitter opgemerkt dat "de proef
om ook zusters te doen deel uit maken van het bestuur uitstekend is
geslaagd." In september 1956 beëindigde Weenink zijn 46-jarige loopbaan
als voorganger in de baptistengemeenten. In diezelfde maand kwam J. van
Dam van Zandbulten om de gemeente te dienen tot augustus 1960. In mei
1957 werd de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Unie in Haarlem ge-
houden. Het was op deze vergadering dat de docenten werden benoemd
aan het in 1958 op te richten Baptisten Seminarie in het Baptisten-Centrum
"De Vinkenhof" in Bosch en Duin. Het ledental van Haarlem daalde met 29
toen in januari 1960 het werk in IJmuiden werd omgezet in een zelfstandige
gemeente. Vier jaar later vond er een samensmelting plaats met de evangeli-
satievereniging Elon. De IJmuidense baptistengemeente kreeg daardoor de
beschikking over de kapel van Elon.

Reeds twee maanden nadat Van Dam naar Sneek was vertrokken kreeg
Haarlem een nieuwe voorganger. G.W. Tijman, komende van Stadskanaal
verbond zich aan de gemeente. Precies tien jaar later moest hij om gezond-
heidsredenen afscheid nemen van Haarlem. Met vervroegd emeritaat ver-
huisde hij naar Doetinchem. Daar overleed hij op 30 juli 1978 op ruim
70-jarige leeftijd. Tijdens de ziekte van Tijman en na diens emeritaat werd
de gemeente bijgestaan door J. Broertjes, die in dienst was van het Neder-
landsch Bijbelgenootschap te Haarlem en tevens voorganger was van
Amsterdam-Noord.Op 6 februari 1972 deed W.G. Renken, die van Zutphen
kwam, zijn intrede. Hij werkte ruim drie jaar in Haarlem. Op 23 november
1975 nam hij afscheid, omdat hij een benoeming had aanvaard tot geestelijk
verzorger in een psychiatrische inrichting te Wagenborg (Gr.). Ouderling
F. Oosterwijk nam de leiding van de gemeente op zich, maar hij overleed
reeds spoedig. Emeritus-voorganger H. Sikkema die in Heemskerk woonde
stond in de volgende jaren de gemeente als consulent ter zijde.

Op 3 september 1978 kon J.A. Scholte als nieuwe voorganger van de
gemeente bevestigd worden. Scholte had in de jaren veertig en vijftig enige
gemeenten gediend, maar was sinds 1958 werkzaam in het bedrijfsleven.
Zijn arbeid in Haarlem kon hij beginnen met een doopdienst in oktober met
vier dopelingen. Eind 1978 telde de gemeente 142 leden. Het evangelisatie-
werk werd met nieuwe energie ter hand genomen. In Schalkwijk werd
begonnen met een jaarlijkse vakantiebijbelweek. Tevens werden er in de
gemeente wijkavonden georganiseerd. In 1979 werd in Haarlem in samen-
werking met de Baptisten Gemeente IJmuiden de Algemene Vergadering
van de Unie gehouden.

Op 30 mei 1980 was het precies honderd jaar geleden dat de gemeente
was geïnstitueerd. Dit werd in het najaar van 1980 gevierd. Samen met de
Waalse Gemeente, die eveneens op het Begijnhof gevestigd is kwam het
tot jaarlijkse tweetalige adventszangdiensten. De zang ging beurtelings in
de Nederlandse en de Franse taal. Scholte diende Haarlem tot na zijn
emeritaat. Op 4 september 1983 nam hij afscheid van Haarlem en vertrok
hij naar Westervoort. In de jaren tachtig daalde het ledental langzaam. Dit
was voor de raad aanleiding om bij het beroepingswerk te denken aan
samenwerking met Amsterdam-West. Drie tevergeefs uitgebrachte
beroepen deden besluiten niet verder samen te werken. In deze periode
was emerituspredikant R.J. Voorhaar consulent van de gemeente. Ook
J.A. Scholte verleende nog wel bijstand. Enkele studenten van het
s eminarie De Vinkenhof ging regelmatig voor in de erediensten.

In 1985 werd in Haarlem-centrum een Raad van Kerken opgericht. De
Baptisten Gemeente sloot zich hierbij aan. In oktober nam S.P. van der
Steen te Emmen het beroep dat de gemeente te Haarlem op hem uitbracht
aan. Op 9 maart 1986 deed hij zijn intrede. Er werd weer begonnen met
evangelisatiediensten. De voorzang voor de dienst werd uitgebreid en er
werd gezongen uit de bundel Opwekkingsliederen, onder begeleiding van
Van der Steen. Ook werden er weer bijbelstudieavonden gehouden. Het
ledental van de gemeente bleef ondertussen dalen als gevolg van overlijden,
overgang naar andere gemeenschappen en verhuizing. In mei 1988 werd
Van der Steen ziek. Enkele weken later was het een schok voor de gemeen-
te om te horen dat Van der Steen had besloten een andere werkkring te
gaan zoeken en naar Pernis te verhuizen. J. Broertjes, inmiddels emeritus-
predikant te Rijswijk werd bereid gevonden om als consulent de gemeente
te leiden. Ondertussen gingen de activiteiten van de gemeente door de
trouwe inzet van velen door.

Op 17 september 1989 kwam R.Th. Quispel, student van de Tweede-Weg-
Opleiding van het Seminarium de Haarlemse gelederen versterken. In 1990
werd besloten hem te beroepen tot part-time voorganger. Op 9 september
van dat jaar werd hij bevestigd. Na een dieptepunt van 79 leden op 31 decem-
ber 1991 begint zich in de jaren negentig weer een groei van het ledental af
te tekenen. (Januari 2003 vertrok Rob Quispel naar Huizen. De gemeente
telde toen ruim 80 leden.)

8 NAWOORD

Als we terug zien op zo'n 125 jaar geschiedenis van het baptisme in
Haarlem valt allereerst op dat er altijd een aantal mensen is dat trouw blijft
aan de gemeente. Soms zijn het er zeer weinig, later zijn het er weer veel.
Dit mag ons bemoedigen en inspireren. De gemeente is een gemeente van
de Heer, maar ook een gemeente van mensen. Mensen maken fouten, ook
dat blijkt telkens weer. Maar mensen stralen ook de liefde en de warmte van
de Heer uit, waardoor anderen tot geloof komen.

Jezus Christus, die de Heer der Gemeente is, is trouw gebleven aan zijn werk
in de Baptisten Gemeente te Haarlem. In vertrouwen op Hem gaat anno 1993
de arbeid van de gemeente enthousiast door. Het aantal bezoekers van de
zondagse diensten is groeiende. Er zijn enkele bijbelstudiegroepen. Er is
kinder- en jeugdwerk. Ook zijn er een zangkoor, een vrouwenkontaktgroep
en een zendingswerkgroep. Velen hebben in de achterliggende tijd in de
gemeente de Heer leren kennen als hun Verlosser en hebben zich laten
dopen.

Moge de gemeente ook in de komende tijd een heilzame betekenis hebben.

BRONNEN

Enkele geraadpleegde bronnen:

Dr. G.A. Wumkes, De opkomst en vestiging van het Baptisme in Nederland
(1912)

J. van Dam, Geschiedenis van het Baptisme in Nederland (1979 5 )

G. Veldhuysen sr., De Zevendedags-Baptisten (1907)

S.A. Börger & G.W. Tijman, Oorsprong en ontstaan (1970)

J. van Dam, De baptisten-gemeenten, info (1977)

NOTEN

Wellicht onder invloed van de Amsterdamse voorganger Reeders, die van
mening was dat er voor een christen slechts één lidmaatschap bestond,
dat van de gemeente. Hij had hierover een ernstig verschil van mening met
zijn gemeente, wat tot zijn vertrek in februari 1891 leidde. 100 jaar Amster-
dam Centrum, p.20

Sinds de officiële ingebruikneming op 20 september 1953 zijn er honderden
erediensten gehouden onder leiding van zeven eigen voorgangers en vele
gastsprekers. Vele tientallen mensen zijn er gedoopt. Er zijn ook diverse
andere aktiviteiten gehouden. In 1980 kon de gemeente haar honderdjarig
bestaan vieren.

Nog steeds is de kapel volop in gebruik als plaats waar mensen de goede
boodschap van Gods liefde kunnen horen en ervaren. Als wij in september
het veertig-jarig jubileum van onze kapel vieren, dan staan we ook stil bij de
trouw die God betoond heeft. Want we hebben mogen ervaren dat Hij op
bergen en in dalen aanwezig was. We vertrouwen er op dat Hij dat ook in de
toekomst zal zijn.
Het Haarlems Dagblad vermeldt op 7 augustus 1953 in een uitgebreid artikel:
"Haarlemse Baptistegemeente koopt Begijnhofkapel."

Hugo Heymeijer

Terug naar begin

 


© 2009 Baptisten Gemeente Haarlem | Begijnhofkapel, Begijnhof 10, Haarlem | Plattegrond | Design by MarcoZoutmanDesign